Appingedam – Wie het particuliere museum betreedt, loopt door sfeervolle ruimten met oude en eigentijdse beeldende kunst, maar stuit ook op onverwachte plekken zoals het eigen schildersatelier van Møhlmann, een volledig ingericht zeventiende-eeuws atelier van Adriaen van Ostade, een laatmiddeleeuwse Nicolaaskapel en een intiem Jan Mankes Kabinet. Daar heeft zich nu ook de Nescio Nis bij gevoegd.
Persoonlijke band met Nescio
De nis bevindt zich in de tentoonstellingsruimte met vroeg werk van Møhlmann uit zijn scholiertijd, en die plek is bewust gekozen. Op het Coornhert Lyceum in Haarlem maakte Møhlmann op zestienjarige leeftijd kennis met De Uitvreter, het dunne debuutwerk van Nescio, pseudoniem van J.H.F. Grönloh (1882-1961). Het boekje verscheen in 1918 in een oplage van 500 bij kunsthandel Dubois in Haarlem, dezelfde plek waar destijds ook Møhlmanns grootvader J.C. Busé als 27-jarige kunstschilder actief was. Diens werk hangt in het vertrek naast de Nescio Nis.
Ook inhoudelijk is er een verband: het begin van De Uitvreter speelt zich af in Veere en Zierikzee, waar rond 1910 eveneens Møhlmanns grootvader rondliep om te tekenen en te schilderen.
Levenslange verzameling
Bij zijn 65e verjaardag wijdde Møhlmann in zijn boek Het aanzien van (mijn) 1956 een hoofdstuk aan zijn jeugdheld. Nescio kreeg in 1956, het geboortejaar van Møhlmann, een beroerte en schreef zijn laatste bladzijde als schrijver.
Sindsdien verzamelt Møhlmann bijzondere uitgaven, eerste drukken, een zeldzaam handschriftfragment over De Uitvreter, originele foto’s van Nescio en enkele opmerkelijke objecten uit het boek zelf. Zeldzaam is ook de gebundelde Gids uit 1911, waarin Nescio met De Uitvreter debuteerde. Al deze stukken zijn nu te zien in de Nescio Nis.
Møhlmann, inmiddels 70, bereidt een museumuitgave voor over De Uitvreter, die in 2027 moet verschijnen.




