Farmsum – De rechtbank Rotterdam heeft de Duitse rederij Eiltank veroordeeld tot het betalen van 120.000 euro hulploon aan B.D.S. Harlingen en de bedrijven Bijma en Bijma Beheer. De hulpverleners kwamen in 2023 in actie na een brand op het binnenvaartschip Ursula Valentin, dat op dat moment vloeibare bitumen loste in de haven van Farmsum.
Brand tijdens lossen van bitumen
De brand ontstond in de vroege ochtend van 26 mei 2023 bij de lossteiger van JPB Logistics in Farmsum. Door een mechanisch defect liep een tank over, waardoor vloeibare bitumen in de tanktunnel en in het water terechtkwam. Enige tijd later brak aan boord van het schip brand uit.
Rond 07.20 uur arriveerden B.D.S. Harlingen en Bijma met de sleepboot Gruno IV. Zij sleepten het brandende schip weg van de steiger, voerden blus- en koelwerkzaamheden uit en hielden de temperatuur aan dek in de gaten. Hoewel de brandweer rond 10.00 uur sein brandmeester gaf, was het gevaar volgens de rechtbank op dat moment nog niet geweken: rond het middaguur liep de temperatuur aan dek opnieuw op, waarna de hulpverleners opnieuw begonnen met koelen. Pas om 15.25 uur werd het schip naar de steiger van Contitank gesleept. De hele operatie duurde daarmee bijna negen uur.
Deskundige: belangrijke bijdrage aan redding
Eiltank betwistte in de rechtszaak dat er sprake was van succesvolle hulpverlening en stelde onder meer dat de brand vanzelf afnam en dat de brandweer de situatie ook zonder de Gruno IV onder controle had kunnen krijgen. De rechtbank liet de bijdrage van de hulpverleners daarom onderzoeken door een onafhankelijke maritieme deskundige van Marinsal Consultants.
Deze deskundige concludeerde dat de inzet van B.D.S. en Bijma in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het behoud van zowel het schip als de lading. Vooral voor de bitumen in tank 4 was snel ingrijpen van groot belang, omdat leidingen boven deze tank door de brand waren beschadigd; verdere vertraging had volgens de deskundige tot verlies van een deel van de lading kunnen leiden. Ook wees de rechtbank erop dat de regionale brandweer, ondanks de grote inzet, geen wezenlijke rol had bij de daadwerkelijke bestrijding van de scheepsbrand, omdat de Veiligheidsregio Groningen niet over specifieke kennis en middelen voor dit type scheepsbrand beschikt.
Kritiek op inzet water weerlegd
Eiltank had ook kritiek op de deskundigheid van de bemanning van de Gruno IV en stelde dat het gebruik van water bij een bitumenbrand risicovol was. De deskundige verwierp die kritiek: hoewel een vloeistofbrand niet rechtstreeks met water wordt bestreden, kan water wel veilig worden ingezet om te koelen en de brand indirect te bestrijden. Uit beeldmateriaal bleek dat de bemanning die techniek correct toepaste, waardoor de rechtbank oordeelde dat de hulpverleners vakkundig hadden gehandeld.
Niet alle claims van de hulpverleners werden overigens gehonoreerd. Zo was er volgens de deskundige geen reëel risico dat het schip volledig zou uitbranden en zinken, en is niet aangetoond dat een grote milieuramp is voorkomen. Ongeveer twintig kubieke meter bitumen kwam in het Zeehavenkanaal terecht, maar volgens Rijkswaterstaat werden geen acute gevolgen voor het watermilieu verwacht en werd de gelekte bitumen snel opgeruimd.
Hulploon vastgesteld op basis van geredde waarde
Bij het bepalen van het hulploon hanteerde de rechtbank de criteria uit het Internationale Hulpverleningsverdrag van 1989, waarbij onder meer wordt gekeken naar de geredde waarde, de ernst van het gevaar en de snelheid en deskundigheid van het optreden. Partijen kwamen samen uit op een geredde waarde van ruim 1,865 miljoen euro, bestaande uit de waarde van het schip (1,45 miljoen euro) en de resterende lading (415.426 euro).
De rechtbank hield ook rekening met de snelle aanrijtijd, de bijna negen uur durende inzet en het ingezette materieel ter waarde van ruim 20.000 euro. B.D.S. staat permanent paraat voor hulpverlening in het Waddenzeegebied, terwijl Bijma continu beschikbaar is voor calamiteitenbestrijding in de havens van Delfzijl en Farmsum. Uiteindelijk stelde de rechtbank het hulploon vast op 120.000 euro, ongeveer 6,4 procent van de totale geredde waarde. B.D.S. en Bijma hadden na wijziging van hun eis 150.000 euro gevorderd.




